Wie zat aan deze tafel?
- Wim Geluykens, onderzoeker-jurist op de studiedienst van Kom op tegen Kanker
- Jos Wouters, pleitbezorger voor de rechten van personen met een handicap, met een sterke focus op inclusie op de arbeidsmarkt
- Michaël Ghysels, danser en veelgevraagd spreker over zijn zoektocht naar vrijheid en zelfstandigheid als rolstoelgebruiker na een ernstig verkeersongeval
- Elke Decruynaere, zus van een broer met een mentale beperking, docent aan de Arteveldehogeschool in Gent en voormalig Gents schepen van Onderwijs, Opvoeding, Jeugd en Gezinsbeleid
- Luc Henau, uittredend directeur van GTB
Wat is inclusie?
Michael: ‘Ik kan heel hard genieten van een dansvoorstelling door mensen met een fysieke beperking die bijvoorbeeld alleen maar hun arm kunnen bewegen: als ze die arm bewegen met hun volle goesting en hun volle passie, dan zijn zij voor mij volwaardig aan het dansen. Dan zie ik geen fysieke beperking meer, maar een danser. Inclusie is pas inclusie als je het niet meer hoeft te benoemen.’
Elke: ‘Ken je de analogie van het feestje? Het idee is dat je wordt uitgenodigd op een feestje en dat je niet enkel mee mag dansen, maar dat jouw manier van dansen zo zot mag zijn als je zelf wil. Als je dat vertaalt naar de arbeidsmarkt, betekent dit dat je niet alleen mag/moet gaan werken, maar dat je ook zelf vat hebt op de inhoud van je functie. Het gaat om mede-eigenaarschap over je job. Dat er rekening wordt gehouden met wie jij bent, in plaats van dat jij degene bent die zich voortdurend moet aanpassen en aan een eindeloze resem voorwaarden moet voldoen. Ik denk dat dát het verschil is tussen enerzijds echte inclusie en anderzijds alleen maar mogen meedoen.’
De kracht van positief denken
Elke: ‘In het leven kunnen er heel veel dingen gebeuren, zowel met jezelf als met de mensen in je omgeving. Die dingen kunnen een enorme weerslag hebben. In het beste geval heb je een goed netwerk waar je terechtkan voor advies en ondersteuning. Maar we weten helaas dat er ook mensen zijn die zo’n netwerk niet hebben. Het is belangrijk dat je samen met andere mensen van gedachten kan wisselen, niet alleen over je job, maar over het bredere plaatje: je leven.’
Michaël: ‘Mijn eerste reactie na mijn ongeval, toen bleek dat ik grotendeels verlamd door het leven zou moeten gaan, was: ‘laat me maar sterven, ik heb geen zin om verder te leven als een plant.’ Maar zodra ik mijn levenslust had teruggevonden, zodra ik opnieuw begreep dat je een halfleeg glas evengoed als halfvol kan bekijken, was daar opnieuw de droom om te dansen. Ik heb mijn droom kunnen blijven volgen. Mijn technische kennis uit de automobielsector vertaal ik nu bovendien naar het zelf maken van hulpmiddelen. Ik heb een 3D-printer aangeschaft, ik heb leren 3D-tekenen, en zo maak ik mijn eigen hulpmiddelen: een steuntje voor mijn gsm, kleine hulpstukjes die het makkelijker voor mij maken om dingen vast te pakken, enzovoort.’
Sleutelen aan het beleid
Wim: ‘Jammer genoeg zie je soms dat mensen die (opnieuw) willen werken, ontmoedigd worden door artsen of arbeidsbemiddelaars. Ik herinner me een man die zich een maand na afloop van zijn kankerbehandeling meldde bij de VDAB. Hij wou daar bekijken wat er al weer mogelijk was, op welke manier hij – al dan niet deeltijds – weer aan de slag kon. Maar wat kreeg hij daar te horen? ‘Meneer, vindt u het niet wat vroeg om al opnieuw te gaan werken? Wacht nog maar een beetje …’
Jos: ‘Er wordt een nog steeds een sterke scheiding gemaakt tussen ‘mensen die kunnen werken’ en ‘mensen die zeker niet kunnen werken’. En als mensen tóch zelf de stap zetten om weer te gaan werken, moeten ze heel goed opletten in welk statuut ze zich bevinden, want dat bepaalt wat er gebeurt met hun recht op uitkering. Ook daar zit ons systeem niet goed in elkaar. Wat kan en wat kan niet, wat mag en wat mag niet? Het is vaak erg onduidelijk.’
Elke: ‘De automatische toekenning van rechten is een punt waarop de overheid zeker veel beter moet kunnen dan ze nu doet. Het is ongehoord dat mensen een hele administratieve, soms kafkaiaanse lijdensweg moeten afleggen, enkel en alleen om te krijgen waar ze recht op hebben, en dat terwijl ze al zoveel andere zorgen aan hun hoofd hebben. Dat zoiets nog blijft doorgaan in een tijd vol technologische mogelijkheden, dat is haast niet te begrijpen.’
Jos: ‘Twee dingen moeten we anders doen om meer kansen te geven. Ten eerste moet je mensen voldoende tijd geven. Reïntegratie op de arbeidsmarkt gaat niet van vandaag op morgen. Er is bestaat geen ‘one size fits all’. Ten tweede moet je zorgen dat mensen goed omringd zijn. Ze moeten kunnen bogen op een netwerk waarmee ze de meest uiteenlopende dingen kunnen bespreken: werk, gezondheid, maar ook heel wat andere aspecten van het leven. Daar kunnen professionals bij betrokken zijn, maar ook familie, vrienden en mensen uit de buurt.’
Kijken naar wat wel nog kan
Michael: ‘Het idee van inclusie moet nog veel meer ingeburgerd raken bij de mensen in het algemeen. Ik ga af en toe voor scholen spreken. Meestal stel ik me dan als volgt voor: ‘Ik ben Michaël en ik ben een danser’. En dan zie je de leerlingen al snel denken: ‘O ja, een rolstoeldanser’. Maar mijn reactie is: ‘Neen, ik ben Michaël en ik ben een danser. En ja, ik zit in een rolstoel, maar die rolstoel definieert niet wie ik ben. Ik ben even hard een rolstoeldanser als jullie een schoenendanser zijn.’ En als je dat zegt, dan gaan ze nadenken. Dan krijgen ze hopelijk al een klein beetje een andere kijk.’
Wim: ‘We moeten vooral leren kijken naar wat iemand wel kan en niet naar wat die persoon niet meer kan. Ik denk dat die beweging al bezig is, maar het kan zeker nog sneller. Had je vroeger een handicap, dan was werken niet aan de orde. Dan zei men: ‘Hier is een tegemoetkoming. Succes nog.’ Vandaag zie je meer en meer projecten om een handicap en een eventuele tegemoetkoming toch te combineren met werk. Helaas zien we ook daar nog veel barrières. Als we die willen wegwerken, zullen we ook de werkgevers nog meer moeten ondersteunen.’
Michaël: ‘Ken je het spelletje ‘Ik ga op reis en ik neem mee …’? Waar het voor mij op neerkomt, is dat je voor een deel ook zelf kan kiezen wat je wel of niet in je rugzak stopt. Als ik mijn rugzak vul met ideeën zoals ‘ik kan niet meer stappen’, ‘ik kan niet meer voetballen’, ‘ik kan niet meer met de motor rijden’, ‘ik kan niet meer skiën’ en ‘ik kan niet meer werken’ … Tja, dan wordt die rugzak heel zwaar. Maar ik kan ook kiezen voor ideeën waar ik iets aan heb: ik kan mij nog verplaatsen, ik kan 3D-tekenen en printen, ik kan fietsen, ik kan eigenlijk wél skiën, ik kan autorijden … Dan focus ik op de dingen die wél nog mogelijk zijn.’